Category: 3. Artikels


ICT: informatie- en communicatietechnologie… het is niet zomaar een modewoord meer. Computers, internet en beeldcultuur hebben een vaste stek veroverd in ons leven. Ook de KHLim heeft ervoor gekozen om ICT te integreren in al haar opleidingen.  Zo heeft zij dus ook haar eigen KHLim-netwerk waarbij iedere student zijn eigen e-mailadres heeft. Dit netwerk zou in theorie een handig en snel communicatiesysteem moeten zijn, maar in de praktijk is dit helaas wel anders. Na er reeds drie jaar de nodige moeilijkheden mee gehad te hebben, vond ik het dus eens tijd om de problemen omtrent Webmail onder de loep te nemen.

Het gebruik van het KHLim-mailadres is verplicht voor alle communicatie m.b.t. de opleiding. Alle belangrijke informatie (examenroosters, lokaalreservaties …) worden in de eerste plaats via deze weg doorgestuurd. Hierachter schuilt al een eerste probleem: niet alle meldingen komen bij de juiste personen terecht. Al meerdere malen heb ik ondervonden dat mijn verzonden e-mails niet aankomen bij mijn contactpersonen. Zo ook tijdens de afgelopen leeromgevingstage: meerdere malen probeerde ik via e-mail in contact te komen met mijn stagementor, maar helaas was dit telkens zonder resultaat. Achteraf bleek dat mijn e-mails niet in zijn mailbox aankwamen, maar in zijn map van ongewenste berichten. Een e-mail via mijn Hotmailadres kwam wél meteen aan in zijn mailbox. Na navraag bij Jan Annaert, anker ICT & Logistiek, bleek dat dit niet de schuld was van het KHLim-netwerk, maar van het netwerk van mijn stagementor.

Een ander probleem is dat er voortdurend spam opduikt in je mailbox. Spam is een ongewenste e-mail die meestal bestaat uit een nutteloze reclameboodschap. Deze e-mails zijn vooral storend omdat ze de capaciteit van je mailbox verkleinen waardoor je eventuele belangrijke e-mails niet kan ontvangen. Om dit probleem tegen te gaan heeft de ICT-dienst op het netwerk een spamfilter geïnstalleerd. Die zou ervoor moeten zorgen dat ongewenste e-mails achterwege blijven. Het probleem hierbij is dat er dagelijks nieuwe spam opduikt waarvan de filter geen kennis  heeft. Hierdoor sijpelen er dus toch nog regelmatig enkele ongewenste e-mails binnen in de mailboxen van de studenten.

Gelukkig beseft het personeel van de ICT-dienst maar al te goed dat de huidige Webmailversie nog niet naar behoren werkt. Daarom heeft men onlangs besloten om over te schakelen naar een nieuwe mailbox. Deze mailbox zou ervoor moeten zorgen dat de verschillende mankementen verdwenen zijn. Mochten er zich toch nog problemen voordoen, kan je altijd terecht bij de ICT-dienst of op de website van de KHLim.

Als student kan je dus vrij weinig veranderen aan de huidige Webmailproblemen. Het enige wat je kan doen als er zich een probleem voordoet, is zo snel mogelijk contact opnemen met het personeel van de ICT-dienst (Jan Annaert en Kristof Minten) in de hoop dat zij wel raad weten met de situatie.

Maarten Panis

Het vak ‘religie, zingeving en levensbeschouwing’  of kortweg ‘RZL’ zorgt voor heel wat verdeelde reacties. Enerzijds heb je enkele tweedejaarsstudenten van de KHLim die het belang van het vak in vraag stellen. Dat blijkt uit een enquête over RZL. Anderzijds heb je een gemotiveerde docent, Johan Ardui. In een interview geeft hij zijn liefde voor
‘zijn vak’ bloot. Absoluut! ging een kijkje nemen achter de schermen van het vak RZL en stelde meteen iets merkwaardigs vast…

Enkele tweedejaarsstudenten werden onderworpen aan een aantal vragen over het vak RZL . Opmerkelijk is dat de meeste resultaten niet uiteenlopend zijn. Zo vinden acht van de tien ondervraagde studenten dat RZL geen belangrijk aandeel heeft in de lerarenopleiding. De saaie leerstof en de niet verplichte aanwezigheid spelen daarin een grote rol. Ook vindt meer dan de helft van de studenten dat het vak hen niets bijbrengt dat ze effectief kunnen gebruiken in de toekomst. Twee studenten durven wel toegeven dat ze het vak respecteren, omdat RZL in een katholieke school thuishoort. Toch geeft merendeel de voorkeur aan twee vrije uren in plaats van de niet verplichte les te volgen. Uit de enquête kan je dus vaststellen dat de tweedejaarsstudenten RZL niet zouden missen. Deze vaststelling moet je echter met een korreltje zout nemen, omdat de enquête geen objectieve resultaten weergeeft door het aantal ondervraagden, maar het geeft wel een voorzichtige tendens.

Ook Johan Ardui, docent van het vak RZL aan de KHLim, werd voor de leeuwen geworpen. Uit het interview met hem bleek meteen dat er een andere visie aan de orde is. Hij vindt dat het vak een meerwaarde biedt aan het lessenpakket van de studenten. Zo handelen de lessen over de pedagogische kracht van het christendom en zijn daarom een must voor elke leraar in spe. Hij verduidelijkt dit met een krachtige uitspraak: “Het christendom is uniek in haar humaniserende boodschap en verdient bijgevolg een plaats in het vormingsproces van een leraar.” Toch bekoort deze uitspraak niet veel studenten en blijven ze vaak weg uit de lessen. Volgens Johan Ardui heeft dat te maken met de leerplicht, die maar geldt tot achttien jaar.  Hieraan voegt hij persoonlijk toe: “Als docent neem ik geen absenties, omdat ik reken op de verantwoordelijkheid van de student. Ik weet echter dat niet iedere student zijn verantwoordelijkheid opneemt.” Johan Ardui weet dat zijn vak botst op wat weerstand, maar keurt dit niet af. “Een vak moet tegen een stootje kunnen, want pas dan leren studenten iets. Een populair vak dat helemaal in de lijn ligt van de leefwereld van de huidige generatie kan zichzelf overbodig maken.”
De docent moedigt dus met andere woorden de belangstelling voor zijn vak aan.

Kortom, het vak RZL is gewikt en gewogen vanuit twee verschillende posities en levert dan ook twee andere perspectieven op. Enerzijds heb je enkele studenten van het tweede jaar die het nut van het vak nauwelijks inzien. Ze zouden als het ware RZL naar de hel sturen. Anderzijds heb je een enthousiaste docent, Johan Ardui, die het belang van zijn vak in een katholieke school onderstreept. Hij prijst RZL dus de hemel in.
De hemel of de hel van RZL? Jij kiest!

Anneleen Meykens

“Mensen doen schitteren”, de nota over de onderwijshervorming, is een feit en cultuureducatie krijgt een volwaardige benoeming. Op papier lijkt dit wel allemaal mooi, maar wat moet er in de praktijk gebeuren? De huidige leerkrachten en die in spe kunnen de minister een handje toesteken door hun mening te geven over een praktijkgericht kunst- en cultuurplan. Nadien is de minister op zijn beurt weer aan zet door met de tips en visies aan de slag te gaan.

Het onderwijs in Vlaanderen behoort tot de top van de wereld en daar mogen we terecht fier op zijn, maar om die positie te behouden, moeten we vooruit. Daarom heeft minister Smet zijn oriëntatienota voor het Vlaamse onderwijs alvast uitgeschreven en het staat duidelijk zwart op wit: kunst en cultuur moeten een centralere rol krijgen. Die woorden heeft hij midden april op de CANON Cultuurdagen nogmaals onderstreept. Hoe dat dan effectief in zijn werk zal gaan, is nog niet duidelijk. Wel kunnen wij ervan op aan dat wanneer de Vlaamse onderwijsrevolutie uitbreekt de KHLim zijn sterkste cultuurtroepen zal inzetten, want wie kunst en cultuur wil overbrengen aan leerlingen en studenten moet zelf een actieve cultuurparticipant zijn.

Dat de KHLim heel wat kunst- en cultuurtalent in huis heeft, is al vaker bewezen. Afgelopen jaar nog heeft  Jan Swerts, docent pav en bavata, een uitzonderlijke viersterrenaanduiding gekregen van het weekblad Humo voor zijn cd “Weg”. De zanger en minimalistische pianist bewijst daarmee niet alleen dat de KHLim heel wat begaafde mensen in haar ploeg heeft zitten, maar ook dat cultuurbeleving, zelfs op een semiprofessioneel niveau, perfect te combineren valt met een voltijdse job als leerkracht en dat kan de leerlingen enkel ten goede komen wanneer cultuureducatie een volwaardig vak wordt. Natuurlijk is Jan Swerts niet het enige geheime wapen van onze hogeschool, de school zit vol met wegbereiders met een aanzienlijke status buiten de campus, een rugzak vol ervaring en een uitgesproken mening over kunst en cultuur in het onderwijs.

Een van die actieve cultuurparticipanten is Daniël Vandersmissen, binnen de schoolmuren is hij docent po en pkv, buiten de KHLim is hij vooral bekend onder zijn kunstenaarsalterego Dan Yapungku. Hij tracht vooral digitaal en virtueel installaties en performances in een omgeving te brengen. Met zijn kunst streeft hij noch een doel – het maken van het kunstwerk is het doel op zich – noch bekendheid na – ook al heeft hij die wel verworven – want kunst is voor hem als de milieuproblemen: wie ze oplost is van geen belang, zolang ze maar opgelost worden. De kunstenaar in hem spreekt over kunst als zuurstof, zonder zuurstof geen leven. Vooral in het onderwijs, want dat is de kunst van leven en het over-leven. Zijn tip voor de toekomstige leerkrachten is simpel, maar krachtig en direct: gewoon doen en niet omkijken.

Voor een tweede, iets gematigdere mening over de aanpak van het cultuurbeleid in het middelbaar onderwijs moeten wij bij Annemarie Renwart zijn. Zij is docente Nederlands aan de KHLim en draagt kunstbeleving hoog in het vaandel. Zelf is ze zowel passief als actief dagdagelijks bezig met kunst en cultuur. Ze gaat wekelijks kijken naar tal van voorstellingen, ze speelt zelf toneel en haar grootste en actiefste bezigheid is het voorbereiden van de zevenjaarlijkse Virga Jessefeesten, de feesten die het leven van Christus en Maria in een hedendaags daglicht willen plaatsen. Zij weet als geen ander hoeveel voldoening er te halen valt uit het werken met mensen omtrent een kunstzinnig project. Voor haar moet het fantastische gevoel van duizenden enthousiaste vrijwilligers tot een geheel te zien groeien ook mogelijk zijn in een klas- of schoolgroep, maar dan moeten leerlingen hierop voorbereid worden. Volgens haar moeten leerlingen in de eerste graad kansen gegeven worden, in de tweede graad moeten zij de kunsttalen leren kennen en het belangrijkste aspect van kunst, het sociale engagement, wordt hen duidelijk gemaakt in de derde graad. De leerkrachten spelen hier een belangrijke rol in: zij moeten zelf actief en passief deelnemen aan cultuur en hun passie doorgeven zonder vrees.

Kortom, er is nog heel wat werk aan de winkel. De ideeën omtrent een goed cultuurbeleid zijn voldoende aanwezig bij de huidige en toekomstige leerkrachten, maar er moet naar geluisterd worden. De bal ligt nu weer in het kamp van minister Smet.

Niels Sacré

Volleybalclub Noliko Maaseik kroonde zich onlangs tot landskampioen, de spelers van RC Genk maken het mooie weer in de play-offs van het Belgische voetbal en Kim Clijsters is weer volop aan het trainen om nog enkele tennistornooien op haar naam te schrijven. Kortom, de Limburgers doen het goed op sportief vlak en dat zowel op nationaal als internationaal niveau. Mooie liedjes blijven echter niet duren en daarom is het belangrijk dat topsporters na hun succesvolle sportcarrière nog de mogelijkheid hebben om te gaan werken. De kans op een goede job begint dan ook bij verder studeren. Als je een degelijk diploma op zak hebt, kan je veel sneller aan de slag in een werkomgeving die jou aanspreekt. Als topsporter is het echter niet altijd even eenvoudig om studeren met sporten te combineren. Gelukkig kan men beroep doen op een topsportstatuut. Maar wat houdt dat nu eigenlijk in? Wie komt in aanmerking voor zo’n statuut? Daarvoor heeft Absoluut! contact opgenomen met meneer Joris Lambrechts, algemeen sportcoördinator aan de KHLim in Diepenbeek.

Wat is het?

Een topsportstatuut voorziet privileges voor studenten die een bepaalde sport op hoger niveau beoefenen. Dat wil niet zeggen dat ze bevoordeeld zijn, maar het zorgt ervoor dat die studenten hun studies kunnen combineren met topsport. Ze krijgen de toelating om afwezig te zijn in de lessen of om stages te verplaatsen als ze moeten deelnemen aan een competitie, training of sportstage. Daarnaast hebben de ze mogelijkheid om een beroep te doen op een studiebegeleider en om examens en stage te spreiden of te verplaatsen. De studenten mogen tevens zelf faciliteiten waarop ze beroep willen doen, voorstellen. Dit schooljaar combineren 33 studenten aan de KHLim hun studies met topsport, waarvan er 17 een lerarenopleiding secundair onderwijs volgen.

Voor wie is het bedoeld?

Velen zullen zich nu de vraag stellen ‘Wie komt er dan in aanmerking voor zo’n topsportstatuut’. Het antwoord is simpel: er zijn enkele criteria vooropgesteld om in aanmerking te komen. Een eerste mogelijkheid is dat je deel uitmaakt van het BOIC (Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité), de Vlaamse Sportfederatie of van VBT-BLOSO (Vlaams Bureau Topsport. Daarnaast kan je ook in aanmerking komen als je speler bent bij een club in eerste of tweede klasse (of divisie), een nationale seniores- of junioresploeg of dat je als atleet of speler erkend wordt door de desbetreffende sportfederatie. Als je aan één van deze vereisten voldoet kan je een aanvraag voor een topsportstatuut indienen. Indien je een beroep kan doen op een statuut, is het je eigen verantwoordelijkheid om docenten hiervan op de hoogte te brengen. Je moet ook zelf initiatief nemen om tijdig te melden dat je bepaalde lessen niet kan bijwonen of examens zou willen verplaatsen.

Hoe kan ik het aanvragen?

Om een aanvraag in te dienen op de KHLim kan je best surfen naar de site www.khlim.be. Daar kan je een aanvraagformulier vinden en dat bezorg je samen met je persoonlijk dossier aan je departementshoofd. Het persoonlijk dossier bestaat uit een bewijs van je club dat je tot één van de categorieën hoort die in aanmerking komen voor een statuut, een trainings- en competitieschema en een overzicht van de faciliteiten die je wenst aan te vragen. Men vraagt om ervoor te zorgen dat je je persoonlijk dossier minstens dertig kalenderdagen voor aanvang van het academiejaar indient. Zo kan het departementshoofd in samenspraak met de topsportcoördinator beslissen of je in aanmerking komt voor een statuut.

Enkel voor topsporters?

Bij de benaming topsportstatuut moeten we echter een kanttekening maken. Je moet immers geen topsporter zijn om zo’n statuut aan te vragen. Zo hebben destijds Koen Buyse (zanger van de groep Zornik) en Tom Olaerts (Idool 2003) hun eerste stappen naar de muziekwereld gecombineerd met hun studies.

Wil je dus in de voetsporen treden van Jo Vandecraen en Kevin Klinkenberg (volleyballers bij Noliko Maaseik), Tara Daerden (volleybalster bij Datovoc) Wim Mennes (voetballer STVV) of Bart Goor (voetballer GBA)? Zij studeerden immers aan de KHLim met een topsportstatuut. En denk je dat je in aanmerking komt voor een statuut? Twijfel dan niet, dien zo snel mogelijk een aanvraag in en zorg ervoor dat je topsport kan blijven combineren met je studies.

Met dank aan Joris Lambrechts

Celine Nijs

De technologie is door de jaren heen enorm geëvolueerd. Hier kan men in het onderwijs ook over meespreken. Huistaken en extra mededelingen moeten vanaf nu niet alleen in de klas vermeld worden, tegenwoordig kunnen docenten ook gewoon een e-mail sturen. Dat zorgt uiteraard voor een betere communicatie tussen docent en student. Hoewel, elke medaille heeft zijn keerzijde.

Zo signaleren docenten de laatste tijd meer en meer dat studenten hen lastig vallen met onnodige e-mails. De oorzaak hiervan is dat de stap tussen docent en student kleiner is geworden. Vroeger was het ondenkbaar om een docent buiten de schooluren te contacteren. Nu moet je enkel op ‘verzenden’ drukken en het is zover. Dat wordt de laatste tijd blijkbaar herhaaldelijk gedaan. Bij de minste vraag zijn sommige studenten niet gegeneerd om een e-mail te sturen alvorens zich elders beter te informeren. Sommige docenten vinden nog de tijd om, de soms wel onnozele, vragen te beantwoorden. Mevrouw Huyghe doet het niet. Zij zegt namelijk: “Als je vragen hebt, informeer je dan op Toledo. Hier bevindt zich namelijk alle informatie.” Sommigen studenten zijn echter liever lui dan moe en maken dus misbruik van het systeem.

Niet alleen docenten hebben een overvloed aan e-mails. Ook studenten worden vaak ‘lastiggevallen’ met overbodige berichten. Onze mailbox wordt vaak gevuld met e-mails die niet voor ons bedoeld zijn en sommige e-mails worden zeer laat verstuurd waardoor sommige studenten vaak te laat van iets op de hoogte zijn.

Er wordt ook van uitgegaan dat iedereen zijn e-mails voortdurend nakijkt. Dat kan niet de intentie zijn van het e-mailen. Dat alles zorgt ervoor dat docenten en studenten soms schrik hebben om hun computer aan te zetten. Je e-mails twee maal per dag nakijken, lijkt zowel voor docenten als studenten een haalbaar bezoekje aan Webmail.

Het probleem ligt echter niet alleen bij de docenten en studenten. Ook de foutmeldingen die Webmail en Toledo geregeld hebben, werken de vele vragen en daaropvolgende e-mails in de hand. Dat zorgt namelijk vaak voor miscommunicatie waardoor bepaalde dingen onduidelijk worden.

We kunnen dus besluiten dat het systeem van e-mailen de laatste tijd misbruikt wordt. Er worden onnodige e-mails verstuurd en nuttige berichten worden vaak te laat verzonden. Niemand mag zich verplicht voelen om zijn mailbox voortdurend te controleren. Het websysteem functioneert ook niet altijd correct. Dat alles zorgt vaak voor grote frustratie bij docenten en studenten.

 Sofie Ponet

Adviesproef

Een studie geneeskunde is een hele uitdaging. Nog voor je aan de opleiding begint, ben je verplicht om deel te nemen aan het toegangsexamen arts – tandarts. Als je slaagt voor dit examen mag je starten met de verdere  opleiding.

Om te starten met de lerarenopleiding aan de KHLim moet je vooraf geen toegangsexamen afleggen. Elke student die in het bezit is van een diploma secundair onderwijs of een daarmee gelijkgesteld diploma wordt toegelaten tot de lerarenopleiding. Ook als je dit diploma niet bezit, kan je nog toegelaten worden op voorwaarde dat je slaagt voor het toelatingsonderzoek hoger onderwijs.

Op de KHLim kennen we sinds academiejaar 2010 – 2011 wel de verplichte adviesproef. Deze adviesproef werd voor het vak Engels ingevoerd. De proef werd afgenomen in september en had als doel de studenten een duidelijk beeld te geven van hun niveau, betreffende het vak Engels. De adviesproef bestond uit twee delen: een schriftelijk en mondeling gedeelte. In het schriftelijke gedeelte werd de kennis van de tijden, woordenschat en spelling getest. Als tweede was er nog een mondeling gedeelte: de studenten kregen een vijftal minuten om te tonen dat ze in staat zijn op een aanvaardbaar niveau te communiceren in het Brits-Engels. Indien het resultaat van de adviesproef negatief was, werd je hiervan op de hoogte gebracht. In tegenstelling tot het toegangsexamen geneeskunde, kan je niet worden uitgesloten voor de opleiding. De proef geeft de studenten enkel een advies, maar is deze proef dan wel echt zinvol?

Een groot voordeel van de adviesproef is dat de studenten een duidelijk beeld van hun niveau krijgen. Er zijn veel studenten die zich inschrijven voor de opleiding en maar half beseffen waar ze eigenlijk aan beginnen. Nadat je de proef afgelegd hebt, weet je exact wat je sterke punten zijn en aan welke punten je nog wat extra aandacht moet besteden.

Als de resultaten van de proef negatief zijn, dan kan je voor jezelf conclusies trekken en eventueel nog op zoek gaan naar een andere opleiding of naar een ander vak binnen de lerarenopleiding dat beter bij je past. Op deze manier kan men het aantal studenten dat teleurgesteld wordt gedurende het academiejaar reduceren.

Bovendien kan een toelatingsexamen een positief effect hebben op het slaagpercentage. Uit cijfers van de K.U. Leuven blijkt dat de slaagkansen voor de opleiding geneeskunde heel hoog liggen. In het academiejaar 2009-2010 slaagde namelijk 84,06 % van alle eerstejaarsstudenten geneeskunde. De toelatingsproef is voor een groot deel verantwoordelijk voor het hoge slaagpercentage. Studenten die niet voldoende capaciteiten hebben, worden immers meteen uitgesloten. De adviesproef bij het vak Engels kan ook positieve gevolgen hebben voor het slaagpercentage van de eerstejaarsstudenten. Uiteraard zal de adviesproef niet zo effectief zijn als het toegangsexamen geneeskunde. Dit komt door het feit dat niet alle studenten het advies opvolgen, maar ik denk dat de adviesproef zeker een positief effect zal hebben op de slaagcijfers.

Een nadeel van de adviesproef is dat ze pas in september plaatsvindt, dus net voor het begin van het nieuwe academiejaar. Als je dan negatieve feedback krijgt op de proef, heb je niet veel tijd meer om op zoek te gaan naar een nieuwe opleiding. Het lijkt mij beter om de proef bijvoorbeeld tweemaal vóór het nieuwe academiejaar te organiseren, net zoals dit het geval is bij het ingangsexamen geneeskunde. De eerste proef kan begin juli plaatsvinden, 2 maanden voor het nieuwe academiejaar en de tweede in september zoals het nu het geval is.  Op deze manier geef je de studenten die op het einde van het middelbaar al beslist hebben wat ze willen verder studeren, de kans om hun kennis te testen gedurende het eerste examen. Als de proef dan negatief is, hebben ze nog voldoende tijd om op zoek te gaan naar een nieuwe opleiding. Studenten die laat beslist hebben, kunnen dan alsnog op het einde van de zomervakantie deelnemen aan de adviesproef.

Ik ben ervan overtuigd dat de adviesproef een zinvol initiatief is. Op deze manier krijgen de studenten een duidelijk beeld van wat hun sterktes en zwaktes zijn. Bovendien weten ze veel beter wat de opleiding inhoudt en komen ze minder snel voor verrassingen te staan. Ik ben van mening dat de adviesproef in alle studierichtingen toegepast zou moeten worden. Op deze manier ben je als student beter op de hoogte van het niveau van de opleiding.

Lise Bruyninckx

We krijgen het vaak hard te verduren tijdens het schooljaar. We worden overspoeld met opdrachten, taken en examens. Bovendien komt er nog eens de stage bovenop om ons voor te bereiden op ons toekomstig beroepsleven. ‘De studententijd, beste tijd van je leven’, klinkt in de volksmond. We krijgen maar al te vaak te horen dat wij het grootste deel van onze tijd ‘verspillen’ door ons te vermengen met andere studenten op fuiven of dat we afspreken in één of ander café na de les. Maar ik vind dat wij het volste recht hebben op de nodige ontspanning en sociale contacten leggen is bovendien één van de kwaliteiten om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij. Ik zal hier even, voor onze hardwerkende student, uit de doeken doen hoe ze hun vrije tijd optimaal kunnen benutten.

Als eerste hebben we de Fitlink in Diepenbeek, niet ver buiten de campus. Dit is een ideale plaats om je even terug te trekken met je klas tijdens enkele springuren. Enerzijds staat ‘Fit’ voor het optimaal houden van de conditie van het lichaam. In de Fitlink kan je namelijk squashen, voetballen, volleyballen en badmintonnen. Anderzijds staat ‘link’ voor het contact zoeken met anderen. Het is een perfecte manier om op een leuke wijze aan je conditie en gezondheid te werken, door samen met je vrienden een sport te beoefenen. Ook bezit de fitlink een grote zaal. Deze kan gehuurd worden om fuiven, beurzen enz. te organiseren. Als je echter gewoon wat wil drinken of eten met je vrienden, kan je buiten een terrasje doen, terwijl je geniet van het mooie weer.

Wanneer we de straat oversteken, komen we aan Healthcity. Het gebeurt wel vaker dat er studenten zijn die vele kilo’s bijkomen doordat het vak LO van de secundaire school wegvalt. Healthcity beschrijft haar faciliteiten als een weldaad voor het lichaam en voor het oog. De fitnesstoestellen zijn namelijk goed uitgerust, waardoor dit ten goede komt aan het lichaam. Ze bezitten zelfs moderne apparatuur zoals de Power Plate. Buiten het fitnessen kan je o.a. badmintonnen, bowlen en gebruik maken van de sauna. Verder verhuren ze ook een vergaderruimte en ouders kunnen hun kinderen niet langer als excuus gebruiken, want ook kinderopvang is hier aanwezig.

Als derde is er elke donderdagavond, de alom bekende uitgaansavond, een feestje in de Villicus. Hier hangt altijd een zekere sfeer, omdat de studenten van Diepenbeek en Hasselt hier samenkomen om hun zinnen eens te verzetten. Er wordt veel gedanst op de muziek van de ingehuurde DJ en er kunnen ook zeker wat dranken genuttigd worden.

Als vierde, zoals eerder vermeld, bevindt er zich een cafeetje vlak bij de school. Deze café heeft de naam  ’t Stiemerke. Dit is vanzelfsprekend natuurlijk een zeer geliefde plaats voor de student die juist een lange dag achter de rug heeft. Ook hier kunnen de studenten hun zinnen even verzetten door iets te drinken en te babbelen met hun vrienden. Bovendien kan er tafelvoetbal gespeeld worden en liefhebbers van elektronische darts kunnen hier altijd een spelletje spelen. Verder zijn er snacks verkrijgbaar en de specialiteiten zijn: Stiemer Croque, Stiemer spaghetti en lasagne.

Als laatste, maar zeker niet minder belangrijk, de studentenverenigingen. Dit is een vereniging opgericht door studenten en voor studenten. Als doel hebben deze verenigingen vooral: het bevorderen van contacten tussen studenten. Enerzijds zorgt een vereniging voor een sterk eenheidsgevoel, waardoor deze studenten ook sterker in hun schoolloopbaan staan. Anderzijds krijgen de studenten een groter verantwoordelijkheidsgevoel en organisatievermogen. Om lid te worden van een vereniging, moet men eerst gedoopt worden. De dopelingen moeten elke opdracht uitvoeren die de leiding hen opdraagt, hoe gek het soms ook mag klinken. Wanneer men één jaar lid is van een vereniging, kan men zich kandidaat stellen om in het praesidium te  stappen. Het praesidium is de leiding van de vereniging en elk jaar worden er verkiezingen gehouden om dit praesidium samen te stellen. Ook dit is elk jaar een trekpleister voor vele studenten.

Dus dit is duidelijk een bewijs dat er veel te doen is buiten de campus, maar dat wil nog niet zeggen dat wij als studenten het evenwicht niet weten te vinden tussen werk en ontspanning!

Evelien Croonen

November 2010

” Talent is er, als het maar wordt gezien.” Dat citaat van Luk Dewulf, pedagoog en gerespecteerd talentencoach, is duidelijk in de smaak gevallen bij de KHLim Lerarenopleiding BaSO. Drie gemotiveerde medewerkers besluiten om een ‘Talentenacademie’ uit de grond te stampen. Liesbeth Hendrikx, Tobias Frenssen en Katrien Melotte hebben het gevoel dat secundaire scholen nood hebben aan een project dat rond de talenten van verscheidene leerlingen werkt. Om dit project waar te maken, zoeken ze enkele ‘ talentenjagers’. Uiteindelijk stemmen we met 18 studenten uit BaSO toe om aan het project mee te werken.  In plaats van de leeromgevingstage zullen wij meewerken aan de ‘Talentenacademie’. Elke dag, gedurende twee weken, zullen er 60 leerlingen van verschillende Hasseltse scholen naar de Bonnefantenstraat komen om daar te werken rond hun talenten. De leerlingen zijn van maandag tot vrijdag welkom tussen 17.00 uur en 19.00 uur en op woensdag van 13.30 uur tot 17.00 uur. Vol ongeduld wachten alle talentenjagers op maandag 21 februari, de dag dat onze stage zal beginnen.

 1 februari 2011 tot 20 februari 2011

Er wordt in deze weken voor de stage druk gewerkt aan de voorbereidingen. Er moet natuurlijk promotie gemaakt worden rond de Talentenacademie. We laten flyers en posters drukken zodat we die kunnen uitdelen in de scholen. Omdat dat alleen niet genoeg zal zijn om de kinderen te overtuigen om zich in te schrijven, gaan enkele Talentenjagers op ‘promotietour’ in Kindsheid Jesu, het VTI, het Virga Jesse-college in Hasselt en het Sint-Jozefinstituut in Bokrijk. We merken dat de leerlingen erg geïnteresseerd zijn in de Talentenacademie. Na de promotietour volgen er ook al snel 35 inschrijvingen en niet lang hierna zat de academie vol.

Over drie dagen start de Talentenacademie. Vier lokalen in de Bonnefantenstraat worden omgetoverd tot talentenkamers. We installeren zetels en plaatsen enkele planten, hierdoor lijken de kamers niet meer op saaie klaslokalen. We willen er dan ook voor zorgen dat de leerlingen zich niet in een ‘schoolsfeer’ gaan bevinden. Alles staat nu klaar voor twee geweldige weken.

21 februari 2011

Vandaag is het dan zover, de Talentenacademie opent haar deuren. De leerlingen worden warm onthaald en maken kennis met de groep waarmee ze twee weken aan de slag zullen gaan. Elke groep wordt begeleid door vier talentencoaches. De opdracht die vandaag gepland is, focust op de interesses van de leerlingen. Verspreid over de sporthal liggen ongeveer 600 foto’s met verschillende thema’s, de leerlingen moeten tien foto’s kiezen die hen meteen aanspreken. Hierna moeten ze in de talentenkamers uitleggen waarom ze de verschillende foto’s hebben gekozen, waardoor we al een duidelijk beeld krijgen van iedere leerling.

22 februari 2011 tot 2 maart 2011

De Talentenacademie verloopt vlot. De opdrachten die we voorzien hadden, vallen in de smaak bij de leerlingen. We hebben ondertussen al een bezoek gebracht aan de bibliotheek van Hasselt, hebben een rondleiding gekregen bij radio MaxHa en we zijn een kijkje gaan nemen bij TV-Limburg. Eén leerling heeft zelfs samen met een talentencoach een liveshow mogen meemaken. Met opdrachten zoals interviews, teambuilding en een fototocht door de stad, proberen we alle interesses aan bod te laten komen.

Tijdens de twee weken hebben we verschillende talenten bij de leerlingen ontdekt, soms zijn het talenten waar de leerlingen zelf nog geen weet van hadden. De leerlingen bloeien helemaal open omdat we interesse tonen in hun talenten.

3 maart 2011

We zijn nu twee weken intensief bezig geweest met talenten. Helaas loopt de stage vandaag ten einde. Er staat een slotshow gepland waarin de leerlingen het beste van zichzelf kunnen laten zien. Enkelen steken een toneel in elkaar, een meisje toont haar zangtalent en een paar wagen zich aan een dansje. Om de Talentenacademie op een mooie manier te beëindigen, laten we ballonnen op. Elke leerling mag aan een ballon een kaartje hangen met zijn/haar talenten, die we daarna  gezamenlijk loslaten. Unleash your talent !

Epiloog

De Talentenacademie was een groot succes. Het is duidelijk waarom de secundaire scholen dergelijke  projecten aanmoedigen. Je kan namelijk veel meer uit een leerling halen door talenten een prominente rol te laten spelen in het leerproces. Het project heeft mij als student ook veel geleerd, loskomen van een bepaalde planning bijvoorbeeld. Ik had het persoonlijk niet altijd gemakkelijk met het gebrek aan structuur. Wel merk ik dat ik nu meer op zoek ga naar de positieve eigenschappen van leerlingen. Wellicht zal ik later nog vaak terugdenken aan de Talentenacademie. Het is een ervaring die ik meeneem voor de rest van mijn leven.

Anke Vandewalle

Sociale netwerksites zijn de laatste jaren aan een ware opmars bezig. Ontelbaar veel volwassenen en adolescenten geven hun persoonlijke informatie zomaar vrij op het internet. De drempel om die informatie te delen, ligt opmerkelijk lager dan pakweg tien jaar geleden. Wie tegenwoordig niet in het bezit is van zo een online identiteitskaart wordt vreemd bekeken. Veel mensen nemen daarom deel aan de nieuwe hype wegens een hoge ‘peer pressure’, groepsdruk dus.

Degenen die het meest vatbaar zijn en het meest naar buiten komen met de nieuwe trends, zijn jongeren van twaalf tot achttien jaar. Laat dat nu net de leeftijd zijn waarop jongeren naar de secundaire school gaan. Dagelijks worden ze er geconfronteerd met allerlei vormen van media, maar ook thuis blijken het internet en andere media tot de favoriete bezigheden van onze jongeren te behoren. Scholen besteden daarom aandacht aan het bewustmaken van de soms bedrieglijke kant van reclame en het juist omgaan met apparatuur en andere vormen van media. Wil dat nu ook zeggen dat scholen met een innovatieve visie op onderwijs de sociale netwerksites in hun werkwijze moeten betrekken? Met andere woorden, kunnen netwerksites, meer specifiek Facebook, integraal toegepast worden in het dagdagelijkse onderwijs?

Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig te geven. Zoals bij elk onderwerp dat een verandering op welk gebied dan ook inhoudt, zijn er voor- en tegenstanders. Uit een afgenomen enquête over dit onderwerp blijkt dat de leerlingen de grootste voorstanders zijn van de integratie van de netwerksites. De tegenstanders, op enkele positieve reacties na, zijn alom aanwezig in het lerarenkorps. Niet zo opmerkelijk is dat de leraren die er zich het ergst tegen keren, ook diegenen zijn die het minst gebruik maken van media zoals smartschool. Ze verkiezen de ‘verouderde’ methode om leerlingen hun huistaken en toetsen mee te delen aan het einde van de les door hen dat te laten opschrijven in hun agenda. Bij de vraag waarom zij geen mogelijkheden zien in Facebook, antwoordt het merendeel dat zo’n site onder privézaken hoort en dat de school zowel hun privé als die van leerlingen niet bij het lesgeven mag betrekken. De school kan volgens hen innoverend genoeg zijn, zonder deel te nemen aan elke grote trend die gezet wordt.

Aan de keerzijde van de medaille zijn er leerkrachten die meer openstaan voor het gebruik van Facebook in schoolse activiteiten. Zij begrijpen de visie om het sociale netwerk erbij te betrekken. Meestal omdat zij gebruik maken van bijvoorbeeld Smartschool tijdens hun lessen of er buiten. Het probleem waar zij het meest mee geconfronteerd worden, is dat leerlingen hun account niet vaak genoeg bekijken. Opkomende taken of memo’s worden daarop geplaatst, maar er zijn altijd leerlingen waar de boodschap niet op tijd aangekomen is. De leerkrachten zijn van mening dat zo’n probleem verholpen zou kunnen worden door Facebook als een bijkomende bron van mededelingen te gebruiken. Uit de enquête bleek immers dat de meeste leerlingen die gebruik maken van Facebook ook minstens één keer per dag hun account doornemen. De communicatie tussen leerkracht enerzijds en zijn leerlingen anderzijds zou volgens de voorstanders drastisch kunnen verbeteren.

Toch willen ze het daarbij houden en niet verder gaan. Ze zijn ook gesteld op hun privéleven en leerlingen zouden ze liever op een afstandje houden. Ze zouden Facebook dus niet gebruiken voor louter amusement of om een betere band met hun leerlingen te ontwikkelen. Er moet een apart account gemaakt worden waarmee de leerkracht zijn leerlingen kan bereiken. De leerkracht mag immers niet beschouwd worden als een vriend, wel als een vertrouwenspersoon die zijn leerlingen iets probeert bij te brengen in een schoolse context.

Uit de bevraging of Facebook de nieuwe Smartschool kan worden, blijkt dat we nog een tijdje zullen moeten wachten op een omslag in het onderwijssysteem. De leerkrachten houden het over het algemeen liever bij hun huidige systeem waarbij ze Smartschool gebruiken. In de eerste plaats worden leerlingen op die manier toch gestimuleerd om media te gebruiken op een nuttige manier. Ook kunnen ze schoolse informatie gemakkelijk terugvinden op één specifieke plaats. Bovendien kan er doelgericht gezocht worden op de site zonder afgeleid te worden door allerhande weetjes die niets met de lessen te maken hebben, zoals op Facebook wel het geval zou zijn. Wanneer er een aparte leerlingenaccount aangemaakt zou worden op de sociale netwerksite, zou er natuurlijk opnieuw hetzelfde probleem ontstaan als bij Smartschool. Leerlingen raadplegen hun account niet vaak genoeg waardoor informatie hen dikwijls te laat bereikt. Facebook zal in de nabije toekomst Smartschool niet kunnen vervangen. In het beste geval worden leerlingen iets meer gesensibiliseerd t.o.v. de voordelen van Smartschool.

Nele Nevelsteen

Dat ik een kind van mijn tijd ben, is algemeen bekend. Nieuwe media en technologieën zal ik niet verafschuwen, maar eerder met open armen ontvangen. Ook het onderwijs volgt de tijdsgeest op de voet. Het bewijs hiervan is dat nieuwe media en technologieën gretig hun intreden maken. Maar of deze een rol kunnen spelen in het onderwijs en welke dat dan is, is nog zeer de vraag.

Het door leerkrachten en docenten zo geliefde bordschema wordt steeds vaker vervangen door een powerpoint met daarop een aantal kernwoorden, antwoorden bij de oefeningen of ineens de hele leslijn. In sommige gevallen wordt het aloude krijtbord vervangen door eentje met een hoger IQ: een smartboard. Het voordeel van zo’n slim bord is dat er, anders dan bij een gewoon projectiescherm, op geschreven kan worden. Dat maakt het in één klap al een stuk interactiever.

Een schoolbord moet de leerstof ondersteunen en een visuele houvast geven aan de leerlingen om zo hun leren te bevorderen. Bij goed gebruik kan een powerpoint deze werking evenaren en zelfs een verbetering zijn van het oude krijtbord. Door animaties en dergelijke in te voegen wordt een powerpoint een zeer interactief medium en kan het de aandacht van de leerlingen beter vasthouden. Maar het gebeurt nog te vaak dat de slides overvol staan en zo een onsamenhangend geheel vormen dat verwarrend kan zijn voor de leerlingen.

Een smartboard aan de andere hand, heeft alle voordelen van een krijtbord samen met al het goede van een powerpoint. De ene leerkracht kan zijn smartboard op dezelfde manier gebruiken als zijn vertrouwde krijtbord. Terwijl een andere leerkracht een powerpoint beamt en er op het smartboard zelf nog notities bij schrijft.

Het probleem dat zich vaak met nieuwe media en technologieën stelt , is dat mensen niet weten hoe ze ermee moeten werken. Vaak zijn het ingewikkelde programma’s die je al angst aanjagen als je er nog maar aan denkt. Een smartboard gebruikt echter een eenvoudige software en is in zijn gebruik zeer intuïtief met duidelijke icoontjes in de marge waarmee je kan bepalen waarvoor je je pen wil gebruiken: schrijven, markeren,…   Powerpoint daarentegen vergt een wat uitgebreidere kennis van het programma zelf. Hoewel een goede powerpoint, als je je aan een aantal basisregels houdt, zelfs voor de grootste leek een haalbaar iets blijft.

Ik ben de laatste om te beweren dat alles gemakkelijker was toen leerkrachten na een les nog van kop tot teen vol krijt hingen. Maar wat ik wel weet , is dat de jongeren van vandaag de leerkrachten van morgen zullen zijn. Onze jeugd groeit op met deze nieuwe media en technologieën en daarom zullen deze dan ook steeds vaker en beter geïntegreerd worden in het onderwijs.

Jeroen Huygen

God houdt van seks, speelt videogames, is een jaarlijkse gast op Rock Werchter en trekt zich vooral niet al te veel aan van alle financiële en politieke crisissituaties op deze mooie aardbol. De tijd dat Hij nog een voorbeeldfunctie kon vervullen voor de losbandige jeugd lijkt reeds lang vervlogen. Is het immers niet zo dat God in de hoofden en harten van het jonge volk al even gestorven en begraven is? Zelfs hier op de KHLim lijken de studenten zich niet al te veel aan te trekken van het reilen en zeilen van de Man hierboven. Is God dan werkelijk dood? Ik stelde de vraag aan vier van onze katholiek gedoopte leraren in spe. Eens kijken hoe het met hun geloof gesteld is.

Tegenwoordig wordt geloof op zeer verschillende manieren door zeer verschillende mensen ingevuld. Wat is het eerste waaraan jij denkt bij het woord ‘geloof’?

Riccardo (fysica): Religies en levenswijzen.

Jeroen (economie): Voor mij is geloof veel breder, het is iets “meta”. Iets waarop iemand zijn hoop kan vestigen of waaraan hij zich kan vastklampen.

Hanne (godsdienst): Ik denk dan vooral aan geloven in een God, maar voordat je dat kan, moet je geloven in jezelf. ‘Geloven’ is tegenwoordig niet meer zo evident. In onze maatschappij moeten wij eerst zien voor we geloven, we willen bewijzen. Ik vertel altijd het verhaal van ‘de ongelovige Thomas’ in de klas, die geloofde ook niet dat Jezus verrezen was. Jezus vraagt dan: ‘Moet jij eerst mijn wonde voelen voor je mij gelooft?’ Een echte apostel moet geloven zonder het te zien, maar met de wetenschap van tegenwoordig is het niet vanzelfsprekend om te geloven. Daarom is het belangrijk dat je eerst voor jezelf uitmaakt wat geloven voor jou is.

Kunnen jullie in deze tijd van schandalen nog vertrouwen in een God die mijlenver weg lijkt?

Jeroen: Ik geloof eigenlijk nergens in. Daarbovenop ben ik zoals Hanne net zei, één van de vele ongelovige Thomassen die op de wereld rondlopen. Indien er ergens ‘iets’ is, dan wil ik dat eerst met mijn eigen ogen zien.

Hanne: Er zijn bronnen die bewijzen dat Jezus echt bestaan heeft. Er was blijkbaar iets speciaals aan die man, aangezien zoveel mensen hem volgden. Ik geloof dat er iets meer is. Wat dat is, kan niemand ons vertellen.

An (geschiedenis): Geloof wordt tegenwoordig gezien als een taboe en ik kan niet ontkennen dat dat zeer veel te maken heeft met al die loshandige pedopriesters. Toch moeten we niet vergeten dat zij God niet zijn. De mens heeft al wel meer gruweldaden verricht in naam van onze Vader. Ik kan wél nog geloven in God, omdat ik weet dat de gestelde schandalen zeker niet van Zijn hand zijn, maar van een stelletje geestelijk gestoorde geestelijken. Awel, de naam zegt het hé. 

Riccardo: Ik geloof nergens in. Ik ben een pure atheïst. We leven en we sterven, dat is mijn mening.

God lijkt zijn heilige staf al even aan de wilgen gehangen te hebben. Zou geloof een belangrijkere plaats moeten krijgen in deze moderne maatschappij?

Riccardo: Mensen moeten vooral de kans krijgen om hun mening te uiten. Als hun geloof daar deel van uitmaakt, dan moet ook dat geloof een plaats kunnen verwerven in de samenleving. En ik spreek dan niet van extremistische godsdienstuitingen. Natuurlijk zal er altijd de discussie blijven bestaan over welk geloof nu de belangrijkste plaats verdient. Dat is het minpunt van gelovigen: ze denken allemaal dat ze gelijk hebben. Helaas heeft niet iedereen evenveel respect voor een andere mening. Het nieuws toont ons daar voorbeelden genoeg van.

An: Volgens mij heeft geloof niet erg veel meer met de maatschappij te maken. Maar ik vind net als Riccardo dat er toch rekening gehouden moet worden met de verschillende soorten van geloof. Er zijn nog steeds te veel vooroordelen rond andersgelovigen.  Ieder zijn mening, ieder zijn respect, niet?

Hanne: Ik denk dat de rol van het geloof onderschat wordt. Dit jaar zijn er in de zomer opnieuw de Wereldjongerendagen in Madrid. Daar komen één miljoen jongeren samen om hun geloof te beleven. Ik denk niet dat het geloof verdwenen is, integendeel, ze neemt gewoon een andere vorm aan. Geloof hoef je niet te beleven in een kerk of in een gebouw. Belangrijk is om dat samen te doen en zo waarden als naastenliefde te delen. Het christendom heeft onze maatschappij gemaakt tot wie we zijn en dat wordt soms onderschat. Als wij waren opgegroeid in een moslimland, zouden wij hele andere normen met ons meedragen.

Willen jullie nog een laatste ding kwijt omtrent geloof?

Riccardo: Bwa, nee, ik ben uitgeloofd.

Jeroen: Laat iedereen zijn ding maar doen, binnen de perken natuurlijk (waar die liggen dat is een andere discussie) en dan komt alles wel goed met dat geloof hier.

Hanne: Goh, als toekomstig godsdienstleerkracht wil ik toch nog even meegeven dat geloof overal in verscholen zit. Kijk maar eens naar de Harry Potter-films, Narnia en Urbanus. Zelfs The Simpsons zijn een erg didactische familie op dat vlak. Overal zit een boodschap over God of geloof in. Geloof wordt deze dagen te veel afgeschilderd als saai met kindje Jezus en de os en de ezel, maar geloof is zoveel meer. Geloof is vooral filosofie, nadenken over vandaag en morgen. Ik vind het niet belangrijk waar je in gelooft, maar hoe je daarmee omgaat. In onze vluchtige maatschappij is het af en toe al genoeg om even stil te staan bij de dingen.

Dat is waar. Bedankt en… keep believing.

                                          Frédérique Rizza

Cultuur en onderwijs zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als leerkracht bestaat je taak er immers niet alleen in om ervoor te zorgen dat je leerlingen voldoende kennis opdoen. Het is ook aan jou om je leerlingen wegwijs te maken in de eigen en andere culturen. Maar zien onze studenten dat wel zitten en hoe zouden ze dat dan aanpakken? Doen ze zelf ook wel eens aan ‘cultuur’?

Uit een rondvraag blijkt dat veel van onze studenten belang hechten aan het integreren van cultuur in hun lessen. Sofie, een studente die de vakken Nederlands en Engels volgt, vindt het belangrijk dat haar leerlingen alle aspecten van de taal die ze leren goed kunnen plaatsen. Daarom legt ze vaak een link tussen de gebruiken in een land en de taal die men er spreekt. Nathalie, die Frans studeert, sluit zich grotendeels bij die mening aan, al zegt ze ook dat ze niet van haar leerlingen verwacht dat ze eindeloos veel details uit de Franse geschiedenis kennen. Voor sommige vakken ligt het integreren van cultuur misschien minder voor de hand. Toch zien we ook daar dat toekomstige leerkrachten creatief en cultureel te werk gaan. Zoals bijvoorbeeld Frank, een student uit de richting wiskunde. Hij ziet het volledig zitten om in zijn lessen te vertellen over de geschiedenis van het vak, op welke manier er vroeger gebruik gemaakt werd van een abacus en welke Griekse geleerden een grote invloed hebben gehad op huidige wiskundige toepassingen.

Om ons te helpen bij onze toekomstige taak en om ons van een stevige culturele basis te voorzien, zijn de studenten van de richting PKV (project kunstvakken) begonnen met het cultuurloket. Sinds vorig academiejaar is de inkomhal voorzien van een plek waar wij arkbewoners terechtkunnen voor informatie over toneelvoorstellingen, interessante tentoonstellingen, een inspirerende film en ga zo maar door. Regelmatig organiseren de PKV’ers ook ludieke acties en wedstrijden zoals gedichten schrijven of tekeningen maken rond een bepaald thema. Op die manier is het cultuurloket uitgegroeid tot een interactief gegeven en is  het nu al een vaste waarde geworden binnen onze school.

Hoewel de meeste studenten belang hechten aan cultuur binnen het onderwijs, blijken er echter slechts weinigen onder ons zich geroepen te voelen om in te gaan op de uitnodigingen van PKV. Werkelijk zonde want als wij zelf nooit eens een museum binnenstappen, hoe kunnen we dat dan ooit van onze leerlingen verlangen? Het ziet er naar uit dat we collectief last hebben van drempelvrees. Dit is echter nergens voor nodig. Het is een misvatting dat tentoonstellingen saai zijn, maar als je echt bang bent dat je je zal vervelen, ga dan met een groep! Nieuwe dingen ontdekken terwijl je op stap bent met je vrienden, leuk toch? Het is hoe dan ook budgetvriendelijker dan nog maar eens te gaan shoppen, want met je studentenkaart krijg je in de meeste musea korting op je toegangsticket. Of ontsnap aan de zoveelste breinverlammende realitysoap en ga naar een toneelvoorstelling, want hé,  alle hippe mensen doen het.  Deze reporter gaat in ieder geval haar leven beteren en trekt alvast haar meest culturele schoenen aan!

Zoë Libens

Zoals elke goede hogeschool heeft ook de KHLim een aantal instanties die de inspraak van studenten ondersteunen. Aangezien de KHLim een fervente voorstander is van onderwijs voor en door jongeren is het natuurlijk essentieel dat er een zekere waarde gehecht wordt aan deze inspraak. Het is belangrijk dat de mening van de studenten openlijk vertegenwoordigd wordt. Maar is dit ook het geval?

Ik heb immers enkele studenten gevraagd in hoeverre zij op de hoogte zijn van de werking van de studentenraad. Ik kwam jammer genoeg tot de vaststelling dat noch de verschillende studenten die ik deze vraag stelde, noch ikzelf niet of nauwelijks weten dat de studentenraad zelfs maar bestaat!

In het begin van elk schooljaar worden de leerkrachten in spe op de hoogte gebracht van hun mogelijkheden. Ze kunnen lid worden van een studentenvereniging, ze kunnen meewerken aan de verschillende projecten rond cultuur en diversiteit of ze kunnen zetelen in de studentenraad. In deze studentenraad staat de studentenparticipatie centraal. Beslissingen omtrent het “leven in de KHLim” worden er voorgelegd aan de studenten van de lerarenopleiding BaSO.

De raad zelf bestaat uit een aantal studenten per vak die hun vrijwillig aanbieden. Ik had de gelegenheid te spreken met studente Kathleen Puzio, die sinds september zetelt in de studentenraad. Ik stelde haar een aantal vragen in verband met haar werking.

Uit hoeveel leden bestaat de studentenraad?
Momenteel zijn we met zo’n 15-16, denk ik. Daarbij komen nog de twee lectoren Tobias Frenssen en Jan Schrooten.

Wat voor soort onderwerpen worden er in de studentenraad besproken?
Dingen die de studenten bezighouden. Ook problemen komen aan bod (denk aan het afvalprobleem van enkele maanden terug). Kortom alles dat te maken heeft met de studenten. We proberen op zoveel mogelijk vlakken ook inbreng te hebben. Momenteel is het onderwerp veelal ‘KHLim Af’.

Wordt er een verslag opgesteld van een studentenraad?
Jazeker! Aanwezigheden, dingen die gezegd zijn, dingen die geregeld worden enzomeer worden allemaal in een verslag gegoten. Dit verslag is beschikbaar voor alle andere leden van de studentenraad.

Hoe worden de studenten op de hoogte gebracht van de besproken onderwerpen?
Als er nodig iets vertelt moet worden dan kan dat bijvoorbeeld via de nieuwsbrief gedaan worden. De afvalcampagne van een tijdje terug werd zowel bekend gemaakt via de nieuwsbrief als via een aantal posters geplaatst in de Ark.

Ik hoorde de studente verwonderd aan en ik besefte dat het probleem niet zozeer ligt in de werking van de studentenraad, maar wel in de communicatie naar de rest van de studenten van de lerarenopleiding BaSO.

De studenten die vrijwillig de taak op zich hebben genomen om ons te vertegenwoordigen in de studentenraad, mogen ook erkenning ontvangen voor hun inspanningen. Misschien kan een maandelijkse aparte nieuwsbrief van de studentenraad voor meer transparantie zorgen. Een kopie van het verslag kan hier zelfs voldoende zijn. Een discussieforum op Toledo zou de studenten van de lerarenopleiding BaSO ook meer inspraak kunnen bezorgen…

Totdat alle leerkrachten in spe op de hoogte zijn van het werk dat de hun vertegenwoordigende medestudenten verrichten, kunnen we niet spreken van een werkende studentenparticipatie. Op dit moment komt het immers nog voor dat studenten met een werkelijk probleem blijven zitten, omdat ze niet weten bij wie ze terecht kunnen.

Natuurlijk zijn er voldoende instanties in de school die je kan aanspreken met betrekking tot financiële of emotionele problematiek, maar een structureel of inhoudelijk probleem is een meer gevoelige kwestie.

Aangezien de KHLim openheid en participatie zo hoog in het vaandel draagt, kan een werkende studentenraad een ideale brug tussen de onderwijsinstantie en zijn studenten vormen. Een inzicht in de werking van de studentenraad is dus nodig voor iedere student die bezorgd is over het reilen en zeilen van deze onderwijsinstantie.

Karen Engelen

De lerarenopleiding omvat vele wegen die een student kan betreden tijdens zijn studies.  Het aanbod op school is weliswaar heel uitgebreid en bevat zoveel bijkomende clusters, dat een student op den duur door de bomen het bos niet meer ziet. Studenten verbazen zich keer op keer over de moeilijkheidsgraad van sommige vakken. Dat kan resulteren in een herexamen of een volledige NO PASS. Voor die studenten stippelt de KHLim een individueel traject uit, in samenwerking met de student zelf. Ik ga de werking van het individueel traject beknopt uitleggen om zo een beeld te creëren voor een onwetende student. Om alle regels correct weer te kunnen geven, heeft Absoluut! zich geïnformeerd bij Frans Janssens.

Ten eerste heeft iedere hogeschool of universiteit een begeleider om het traject van een student te bepalen. Frans Janssens is de trajectbegeleider van de lerarenopleiding in de KHLim. Bij de start van een schooljaar maken studenten met een speciaal traject een afspraak met hem.

F. Janssens bekijkt de opleidingsonderdelen en geeft raad aan de student om zijn komende schooljaar tot een goed einde te brengen.

Dan is het aan de student om te kijken of zijn lessen niet overlappen met een vak dat hij in het eerste jaar moet volgen. Hij vergelijkt verschillende lesschema’s met elkaar en probeert op die manier zijn uren te schikken zodat hij zoveel mogelijke lessen kan bijwonen. Een andere optie is om aan een andere leerkracht, die hetzelfde vak doceert, te vragen of je zijn lessen mag bijwonen omdat je anders geen mogelijkheid ziet aanwezig te zijn in die lessen. Is dat echter niet mogelijk, dan bestaat er de regel dat je altijd voorrang moet geven aan een vak dat je in je eerste jaar moet volgen. Concreet betekent dat dat je of aan zelfstudie moet doen om de vakinhoud bij te benen of het vak in kwestie moet laten vallen.

Het positieve aspect aan dit alles is dat de student door het systeem niet onmiddellijk een volledig jaar verliest en resterende vakken erbij kan  nemen. De keerzijde van de medaille is echter dat de student zelfstandig geacht wordt. Vooraleer de student zijn traject heeft besproken met de begeleider, zijn de lessen reeds begonnen. Hierdoor mist hij lessen en kan hij de geziene leerstof niet meer bijbenen.

Absoluut! heeft, naast de beknopte theorie besproken te hebben, ook informatie gewonnen bij een studente die maar al te goed weet wat een individueel traject precies inhoudt.

In het artikel heb ik aangehaald dat een student heel vaak zelfstandig geacht wordt. Ben jij het hier mee eens?

Ik ben het daarmee eens. Ik heb alles op mijn eentje moeten uitzoeken. Je zit in verschillende klassen, volgt andere lessen dan de rest van de studenten en je hoort nergens ‘echt bij’. Ik ben de enige die zo’n speciaal traject volgt, dus ik kan aan niemand raad vragen. Belangrijk is dat je naar de docenten durft gaan, hen informeert over je traject en zoveel mogelijk ‘je plan trekt’. Mijn traject mag je ook alleen maar volgen als je al een bachelor behaald hebt. Ze verwachten dus van die studenten een zekere maturiteit.

Uit ervaring weet ik dat het ingewikkeld is om ieder lesuur naar wens te schikken. Heb je te kampen met  hetzelfde probleem?

Absoluut. Ik kan heel veel lessen niet volgen door overlappingen. Dat is erg vervelend en dan ben je afhankelijk van de goede wil van je medestudenten. Je bent echter ook niet echt een deel van hun klas, waardoor de stap moeilijker is om cursussen te vragen.

De examenperiode komt eraan. Die brengt vaak een hoop stress met zich mee. Als je een individueel traject hebt, kan die hoop alleen nog maar verhoogd worden. Kan jij je vinden in die stelling?

De examenperiode is heel zwaar. Dan moet je proberen om al de leerstof die je gemist hebt te ordenen in je cursus – en belangrijker- in je hoofd. Een bijkomend probleem dat ik had, was dat ook mijn examens overlapten. ‘Godsdienst 2’ overlapte met ‘Nederlands Zinsleer’. Daar zat ik dus, tijdens de inhaaldag mijn examen te maken terwijl al de rest al gedaan had…

Op welke vlakken zou de KHLim, volgens jou, het systeem kunnen verbeteren?

Ik ben heel blij dat de KHLim deze methode aanbiedt. Het geeft mij de mogelijkheid om in twee jaar i.p.v. in drie jaar een extra diploma te halen. In de Xios bieden ze zo’n traject niet aan omdat ze het ‘niet haalbaar’ noemen. Het is soms ook echt zwaar en tijdens mijn inschrijving heeft niemand mij daar op gewezen. Een meisje dat samen met mij gestart is, Astrid, heeft het opgegeven. Ze kon de druk niet meer aan. Het zwaarste vind ik het feit dat de stageperiodes uit het tweede overlappen met de lessen uit het eerste. Volgend jaar zal ik dus tijdens mijn ingroeistage in het derde jaar nog examens uit het tweede moeten maken. Langs de andere kant is het ook een uitdaging. Ik had dit niet gekund toen ik 18 jaar was, maar nu sta ik sterker in mijn schoenen. Verder geef ik een pluim aan de docenten van de lerarenopleiding. Zij reageren met veel begrip en dat helpt wel. Tja, je moet nu eenmaal een tandje bijsteken als student. Het klinkt als een cliché, maar wie hard werkt, komt er wel.

Bedankt voor je tijd en nog veel succes

 

Na het lezen van dit artikel, kan je stellen dat als je vakken moet overnemen, dat niet altijd van een leien dakje gaat. Er komen vaak dingen bij kijken waar je rekening mee moet houden. Ook de regels van het systeem veranderen voortdurend. Als je als student op de hoogte wil zijn van de nieuwste ontwikkelingen, neem je best een kijkje in de studiegids. Indien je daarna nog vragen hebt, kan je die altijd stellen aan de trajectbegeleider, Frans Janssens.

Silvy Tollenaers

Stress, drukte, chaos, lesvoorbereiding hier, lesvoorbereiding daar, … we kennen het allemaal. De drukke stageperiode komt er weer aan. Twee à drie weken voor de stage krijgt iedereen ineens het geniale idee om zijn lesvoorbereidingen te maken in de mediatheek.

Hier botsen we dan ook dadelijk op het eerste probleem, een plaats vinden aan een computer… Daar sta je dan aan de deur met arendsogen te kijken wie ook maar durft te bewegen op zijn stoel, want dat zou wel eens een teken van opstaan kunnen zijn. Zie je daar eindelijk iemand opstaan, dan loop je er naartoe met al je boeken in de hand, hopend dat er niemand anders jouw plekje heeft gezien. Daar kom je dan aan en zegt de andere persoon: ” Ik wou eigenlijk alleen maar iets gaan kopiëren.” Teleurgesteld ga je terug op je plekje staan en even later zie je de redding… in een hoekje zie je een computer! Je loop er naartoe, een glimlach siert je gezicht, je kijkt naar de computer en ziet een briefje hangen… ‘buiten gebruik’!

Je geeft de hoop nog niet op en schuift en je laat het computerwerk dan maar zijn voor wat het is. Dan storten we ons op het papierwerk, oefeningen zoeken in handboeken, oplossingen noteren van de oefeningen, enzovoort … Je hebt je een leuk werkplekje uitgekozen, je stalt al je papieren en pennen uit en maakt er je eigen bureau van. Nu je eindelijk goed zit, ga je een keer op zoek naar de handboeken die je nodig zal hebben. Na een kwartiertje zoeken heb je een handboek gevonden. Blij als je bent ga je ijverig aan het werk. Je vindt dat je nu wel een pauze hebt verdiend. Toevallig komt er een vriend voorbij, het ideale moment om even bij te praten. Aangezien jullie dezelfde vakken volgen, bladert hij eens in het handboek en zegt dan: “Oei, dit is het handboek van 2004, wij moeten dat van 2006 gebruiken.” Nu begint je humeur toch wel wat te zakken. Je staat geïrriteerd op en gaat dat boek zoeken van 2006, maar je bent niet de enige die het boek nodig heeft, als gevolg zit jij zonder boek en met een hele lesvoorbereiding foute oefeningen.

Niet getreurd, niet gezeurd, daar zie je de zon door de wolken opduiken, want een medestudent heeft het boek dat jij moest hebben. Vriendelijk ga je erop af en vraag je of je misschien een paar pagina’s zou mogen kopiëren uit zijn boek. Natuurlijk stemt hij toe en geeft het jou. Met een nieuwe lading goede moed stap je op de printer af… Na enkele passen moet je al weer stilstaan, want daar sta je dan in een rij van wel tien personen. Je kijkt eens naar de eerste en daar zie je het probleem al. Pagina per pagina zie je het licht van de printer op en af gaan en blad per blad spuwt de printer de papieren uit. Je hebt geen keus, dus je moet wel blijven staan. Drie kwartier verder ben je eindelijk aan de beurt, je legt je studentenkaart op en wilt beginnen, maar een rood flikkerend lampje trekt je aandacht. Na enige aarzeling heb je dan toch besloten om de informaticus erbij te roepen, hij knoeit er wat aan en deelt dan plechtig met je mee, alsof de operatie niet geslaagd is, dat hij defect is en voor vandaag niet meer zal werken, maar dat je morgen zeker weer aan de slag kan!

Sophie Charitakis

De meesten onder ons worden er in de loop van de opleiding wel eens mee geconfronteerd: verplichte studiereizen. De studenten van Engels komen er in het tweede jaar al snel mee in aanraking. Hoewel dit artikel op bijna elk vak toepasbaar is, ga ik het schrijven vanuit mijn eigen ervaring als studente Engels.

In het begin van het academiejaar kregen we een brief met de mededeling dat we een reis naar Oxford van drie dagen gingen maken. De kostprijs hiervan bedroeg om en bij de €300. Met dat geld werden alle activiteiten, vervoer, het hotel, ontbijt en avondmaal bekostigd. Het middagmaal moesten we zelf voorzien. Het is algemeen geweten dat studenten tijdens studiereizen vrije uurtjes krijgen. In die tijd kunnen ze eten, winkels bekijken, bezienswaardigheden bezoeken, souvenirs kopen… Dat was dus ook het geval bij de reis naar Oxford. Je kan het al raden, het totale plaatje heeft de ouders en studenten meer dan 300 euro gekost.
Bij deze verplichte reizen rijzen er toch wel enkele vragen. Wat is de meerwaarde? Kunnen we deze reizen verplichten? Welke oplossingen kunnen er aangereikt worden indien iemand moeite heeft om dit te betalen?

Laten we bij het begin beginnen. Verplichte reizen hebben een aantal voordelen, anders zouden ze niet georganiseerd worden.
Als leerkracht Engels is het belangrijk dat je de taal goed beheerst. We praten natuurlijk wel Engels met onze klasgenoten en leerkracht, maar het is toch nog anders om met inwoners van Engeland te praten. In Oxford kregen we de opdracht om in dialoog te treden met de bevolking. Op die manier konden we ons accent beter aanpassen en meer ervaring opdoen. Tijdens de vrije tijd die we kregen, hadden we de kans om te leren omgaan met Engelse ponden en te proeven van de Engelse straten en winkels.
Daarnaast konden we de Engelse cultuur opsnuiven of toch een deel ervan. Wanneer we voor de klas staan, moeten we lessen cultuur kunnen geven. Voor leerlingen is het dan wel interessant om foto’s te zien die door de leerkracht zijn gemaakt en het verhaal te horen dat eraan vast hangt. Dit geeft een heel ander gevoel dan wanneer de foto’s van het internet gehaald zijn.
Plus, de reizen kunnen nadelig zijn voor de klassfeer. Het kan best zijn dat je al een fijne groep hebt, maar op een driedaagse leer je jouw klas op een andere manier kennen. Je bent bijna de hele tijd bij elkaar, een goede gelegenheid om contacten te leggen op een ander niveau en zelfs klasgenoten te leren kennen waar je in de klas weinig mee omgaat.

Dat zijn al een aantal voordelen, maar deze medaille heeft ook een keerzijde.
Ik heb al vermeld dat de prijs over de €300 gaat. Er zijn zo al gezinnen die moeite hebben om de studies voor het hoger onderwijs te betalen. Zo’n verplichte reis kunnen ze missen als kiespijn! Mogelijke oplossingen worden later in het artikel bekeken.
Het kan best zijn dat de reis de klassfeer niet ten goede komt. Wie weet is het voor sommige personen te veel om bijna de hele tijd bij elkaar te zijn. Daardoor ontstaan er ongemakkelijke situaties. Op die manier is het goed mogelijk dat de klas uit elkaar groeit, in plaats van een hechtere band te creëren. Daarnaast zijn er misschien buitenbeentjes in de klas die moeite hebben om zich in te passen of niemand in de klas hebben met wie ze het goed kunnen vinden. Zij zullen zo’n reis al helemaal niet leuk vinden.
Een derde nadeel was in principe de plaats waar we verbleven en het vervoer dat we hadden. We werden elke dag in het centrum van Oxford ‘gedropt’ door een bus en in de late namiddag werden we weer opgepikt om teruggebracht te worden naar het hotel. We waren aangewezen op onze voeten om overal te geraken. Dat was het nadeel van het vervoer. Het volgende nadeel was de plaats. Tijdens de reis waren er bepaalde plaatsen die we moesten bezoeken met de groep. Wie weet zijn dat plaatsen die sommige mensen totaal niet interesseren. De aandacht zwakt dan al sneller af en dat was dan verloren tijd voor die personen. Daarnaast zijn er plaatsen die sommigen doodgraag zouden willen zien, maar die niet in de planning stonden. Je kan zeggen dat ze die plaatsen dan maar gaan bezoeken in de vrije tijd, maar je moet er ook kunnen geraken en je moet er genoeg tijd voor hebben. Hierbij moet je wel bedenken dat je niet iedereen tevreden kan stellen. Daarnaast is het ook de taak van een toekomstig leerkracht Engels om interesse te tonen in de cultuur van het land.

Het volgende wat aandacht verdient, zijn de gezinnen die moeite hebben om zo’n reis te betalen. Ouders hebben niet de keuze om hun nageslacht thuis te houden, want de studiereis is verplicht! Hoe kunnen ze dan toch zonder problemen hun kind de reis gunnen?
Dat moet ten eerste van de school uit komen. Er zijn genoeg studenten die een studiebijlage krijgen. Die informatie staat allemaal in het schoolbestand. De school zou de tijd moeten nemen om te bekijken wie problemen zou kunnen krijgen met de betaling en in de mate van het mogelijke deze gezinnen helpen.
Een tweede oplossing is om ruim op voorhand te informeren dat er een verplichte studiereis aankomt. Als ouders en studenten al maanden van tevoren weten dat dit een verplicht deel van de opleiding is, hebben ze een grotere kans om te sparen en zich voor te bereiden. Ook zou de school de kans moeten geven aan de ouders om de reis in periodes af te betalen en niet alles in één keer.
Ten derde, de opleidingshoofden zouden de verplichte reis kunnen afschaffen, hoewel ik hier zelf geen voorstander van ben. Als leerkracht Engels kun je moeilijk voor de klas gaan staan zonder zelf in het land geweest te zijn.

Verplichte reizen, het zal een struikelblok blijven in de opleiding. Het is zeker fijn om ervaring op te doen en te leren buiten het klaslokaal, maar er staan nadelen tegenover die toch ook noemenswaardig zijn. Als student kan je niet veel meer doen dan je mening te laten horen hierover. Dat zet de organisatoren hopelijk aan het denken. Maar zolang als verplichte reizen verplicht blijven, kan je niet veel meer doen dan er het beste van maken en proberen te genieten van alles wat het genieten waard is.

Lynn Hermans

Herinner je je nog die tijd dat wij, als leerlingen van het secundair onderwijs, regelmatig gebruik maakten van onze gsm tijdens de les? De gsm diende niet alleen om stiekem sms’jes te sturen, maar ook om spelletjes te spelen, op het internet te surfen … Als toekomstige leerkrachten moeten wij ervoor zorgen dat die taferelen zich niet voordoen in onze lessen.

Er zijn verschillende methodes die leerlingen hanteren om ongezien gebruik te maken van hun gsm. Door de tijd heen zijn leerlingen steeds creatiever geworden in het vinden van manieren om dat te doen. Enkele methodes zijn: sms’jes versturen vanuit de jaszak, ongezien gebruik maken van de gsm door die te verstoppen in of achter de pennenzak, ongezien sturen door de gsm te verschuilen achter de rug van de persoon voor je en de rest kunnen jullie natuurlijk zelf invullen. Het is belangrijk dat de leerkracht op de hoogte is van die methodes om ze te kunnen signaleren. Het gedrag van leerlingen geeft vaak aan of een leerling al dan niet iets van plan is. Je kan het vaak al van hun gezichten aflezen. Lichaamstaal is dus een belangrijke factor om stiekem gedrag op te merken.

Via enkele vraaggesprekken is Absoluut! te weten gekomen dat de reeds vernoemde methodes nog steeds aan bod komen in de lessen. Jelle Stulens, tweedejaarsstudente Engels-Nederlands, is zeker niet onbekend met het geniepige gsm-gebruik van enkele leerlingen. Zij betrapte tijdens een van haar lessen een leerling die stiekem  met zijn gsm onder de bank aan het sms’en was. Vermits er in haar stageschool, Kindsheid Jesu te Hasselt, een nultolerantie geldt, heeft zij de gsm onmiddellijk afgepakt. De leerling was erg geschrokken en denkt nu eerst twee keer na vooraleer hij zijn gsm nog eens bovenhaalt. Ook Karen Engelen, een medestudente van Jelle Stulens, is tijdens haar stage in aanraking gekomen met gsm-gebruik van leerlingen. In haar situatie is enkel het geluid van een gsm afgegaan, maar omdat er op haar stageschool, namelijk het Inspirocollege in Houthalen, ook een nultolerantie geldt, heeft zij de mobiele telefoon op haar tafel gelegd tot aan het einde van het lesuur. Indien een leerling zou sms’en, dan wordt de gsm tot het einde van de week in beslag genomen.

Vele scholen zijn reeds zo ver gegaan met het vermijden van gsm-gebruik op school, dat ze de leerlingen verbieden om hun mobiele telefoon mee te nemen naar het schoolgebouw, hetgeen je ook kan terugvinden in de vorige alinea. Enkele andere scholen die het systeem van de nultolerantie toepassen zijn het Onze-Lieve-Vrouwlyceum te Genk en het Virga Jessecollege te Hasselt. Is dat wel een goede oplossing? Hoe meer je leerlingen verbiedt hun gsm te gebruiken binnen het schoolgebouw, hoe spannender het voor hen wordt om die regel te breken. Je kunt leerlingen ook niet verplichten om hun gsm thuis te laten. Het is voor ouders belangrijk dat hun kind steeds bereikbaar is. De beste manier om als leerkracht gsm-gebruik binnen de lessen zo goed mogelijk tegen te houden, is dat je de leerlingen duidelijk maakt wat de mogelijke gevolgen hiervan zijn. Tevens is het ook belangrijk binnen de school regels te creëren omtrent het gebruik van de gsm in het schoolgebouw. Die moeten natuurlijk haalbaar en redelijk zijn. Het is belangrijk dat die regels duidelijk worden aangegeven.

Toch zijn er ook grondige redenen waarom een leerling een gsm absoluut niet mag gebruiken binnen het schoolcomplex. Soms kan het zijn dat jongeren hun leerkracht vastleggen op video of dat sommige leerlingen andere leerlingen filmen in de kleedkamers voor de les lichamelijke opvoeding. Er is dan helemaal geen sprake meer van privacy. Vaak worden mensen gefilmd zonder dat zij het willen. Daarnaast behalen leerlingen vaak slechtere resultaten doordat zij stiekem met hun mobiele telefoon bezig zijn tijdens de les en op die manier de kans niet hebben om de gegeven uitleg mee te pikken.

Vele leerlingen maken nog steeds stiekem gebruik van hun gsm tijdens de lessen, zelfs al geldt er een nultolerantie. Ondanks de populariteit van de gsm op school, is het toch nodig dat scholen duidelijke afspraken rond het gsm-gebruik binnen het schoolgebouw. Het volledig verbieden is geen oplossing en is tevens onmogelijk. Het is dus aan de scholen om haalbare en redelijke regels op te stellen en leerkrachten dienen op hun strepen te staan en kordaat op te treden volgens de door de school samengestelde regels.

Eline Jackers

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

%d bloggers op de volgende wijze: